Wie past zich bij de ander aan of omgekeerd
Niet zo lang geleden liep ik in een van de winkelstraten van Apeldoorn. Het had evengoed ergens anders kunnen zijn, bijvoorbeeld in Groningen. Het was, schat ik, ongeveer half twaalf ’s morgens. Veel mensen op de been, sommigen aan het winkelen, anderen lopen meer of minder gehaast naar, ja waarheen eigenlijk? De mensen om me heen zijn deels blank, deels gekleurd (en ik bedoel dit beslist niet negatief), een mengelmoes dus.
Op een zekere plaats zie ik een groep jonge mensen staan te praten, roken, lachen en wat dollen. Het zijn jonge mensen van wie ik de leeftijd niet kan schatten, dat ligt natuurlijk aan mij. Toch doe ik een gok: ik denk dat ze tussen de 15 en 20, misschien 25 jaar zijn… Het komt me in eens heel vreemd voor: zijn dit nu jongeren die of normaliter naar school behoren te gaan of aan het werk behoren te zijn? Zo op het gezicht zie ik niemand die een schooltas bij zich heeft… ook zie ik niet iets wat lijkt op werkkleding. Dus: het zijn jonge mensen die hun vertier op straat vinden… Mij bekruipt dan een vreemd gevoel. Zouden deze jongeren het prettig vinden om op straat te zijn in plaats van in een schoolbank of in een fabriek of kantoor? Ze beschikken naar wat ik zie over geld, want ze roken en er zijn die juist iets warms bij de V en D (?) opgehaald hebben en zo als het lijkt heerlijk staan te smikkelen. Waarschijnlijk hebben ze een uitkering, immers als je niet werkt krijg je geld van de gemeente c.q. de gemeenschap. Daar kun je rookwaar en hap-snap-vette-eetwaar voor kopen, zonder geld lukt dat niet!
Op een zekere plaats zie ik een groep jonge mensen staan te praten, roken, lachen en wat dollen. Het zijn jonge mensen van wie ik de leeftijd niet kan schatten, dat ligt natuurlijk aan mij. Toch doe ik een gok: ik denk dat ze tussen de 15 en 20, misschien 25 jaar zijn… Het komt me in eens heel vreemd voor: zijn dit nu jongeren die of normaliter naar school behoren te gaan of aan het werk behoren te zijn? Zo op het gezicht zie ik niemand die een schooltas bij zich heeft… ook zie ik niet iets wat lijkt op werkkleding. Dus: het zijn jonge mensen die hun vertier op straat vinden… Mij bekruipt dan een vreemd gevoel. Zouden deze jongeren het prettig vinden om op straat te zijn in plaats van in een schoolbank of in een fabriek of kantoor? Ze beschikken naar wat ik zie over geld, want ze roken en er zijn die juist iets warms bij de V en D (?) opgehaald hebben en zo als het lijkt heerlijk staan te smikkelen. Waarschijnlijk hebben ze een uitkering, immers als je niet werkt krijg je geld van de gemeente c.q. de gemeenschap. Daar kun je rookwaar en hap-snap-vette-eetwaar voor kopen, zonder geld lukt dat niet!
Dan in eens begin ik me te realiseren dat ik wel heel vreemd bezig ben. Ik ben me een oordeel aan het vormen over een aantal jonge mensen die ik op straat zie. Jonge mensen die in mijn beleving daar niet horen, die bezig moeten zijn met hun opleiding of hun baan. Op die manier kunnen ze bijdragen aan onze gemeenschap in plaats van te teren op onze gemeenschap. Ik ben een oordeel aan het vormen zonder met deze jonge mensen te hebben gesproken. Ik doe dat, ik die een ander vaak heb voorgehouden nooit zonder de achtergronden te kennen een oordeel over iets of iemand te vellen. Dan bedenk ik me dat ik niet de enige ben die dit doet. Het is weliswaar een schrale troost, maar het is er. Immers, dag in dag uit hebben we oordelen en vooroordelen over anderen. Mij aansprekende voorbeelden zijn de vooroordelen over anderen zoals die door b.v. sommigen van de PVV van Geert Wilders gebezigd worden. En toch, inwendig zijn we het soms ook wel wat met die vooroordelen eens. Je kunt er hele discussies aan wijden, maar lost het iets op?
En toen, ja toen moest ik denken aan een column van Jantine J. de Boer in ‘Perspectief ‘ van 11 november 2011. Behartigenswaardige woorden, leest u zelf maar:
Culturen
Zolang er mensen zijn op aarde hebben ze rondgetrokken. Adam en Eva gaven de voorzet en sindsdien is de mens op zoek naar de beste plek om te wonen, te jagen, te verbouwen. Naarmate het aantal mensen zich uitbreidde, ontstonden verschillende culturen: landbouwers op de ene plek, jagers op de andere. Elders mengden de groepen zich, maar ze voerden ook oorlog, strijd om het land, strijd om de godenverering. Het Oude Testament staat vol met dit soort verhalen. Barbara Wood schreef op basis van dit gegeven het fascinerende boek 'The Blessing Stone' (de steen die zegen brengt). Zij volgt de geschiedenis van de mensheid vanuit Centraal Afrika, via Israël, Rome, naar Engeland, Duitsland, Amerika. En overal blijkt de mens zich te kunnen handhaven, ook al gaat dat niet vanzelf. Om ruimte te scheppen voor je eigen volk moet een ander een eindje opschuiven. Goedschiks gaat dat beter dan kwaadschiks, maar helaas lukt dat niet altijd. Misschien zelfs vaker niet dan wel. En aan wie ligt dat dan? Aan de nieuwkomers die, soms met geweld, hun gewoonten willen opleggen, of aam de blijvers die niet willen op schikken en aan hun regels blijven vasthouden?
Het is een dilemma dat bleef spelen bij emigranten. Ze kwamen toch vaak in grote groepen, de Joden uit Spanje, de Europeanen in het kielzog van Columbus naar Noord- en Zuid- Amerika, de Nederlanders na 1945 naar de Verenigde Staten, Australië of Canada, de Joden naar Israël, de diverse buitenlandse arbeiders naar Nederland. Waarom gaat het soms zo goed en bijna geruisloos (Italianen en Spanjaarden). Waarom geeft het soms zo veel problemen (Turken en Marokkanen)? Komen die problemen als de groep te groot wordt en de blijvers zichzelf en hun cultuur bedreigd gaan voelen? Is het als individu of kleine groep gemakkelijker om je aan te passen (je moet wel) dan als grote groep die bedreigend kan overkomen? En welke cultuur overheerst dan: die van de blijvers of van de nieuwkomers. Moeten de laatsten zich aanpassen (taal leren) of moeten de eersten ruimte scheppen (hoofddoek en moskee toestaan).
Meer vragen dan antwoorden en de oplossing heb ik ook niet. Hoewel, in vele gevallen bleek aanpassing aan de heersende cultuur het beste. Nederlanders die emigreerden naar de Verenigde Staten en Canada wisten zich goed aan te passen en werden vaak succesvolle en gewaardeerde burgers van hun nieuwe vaderland. En hoeveel van oorsprong niet-Nederlanders hebben het niet gebracht tot burgemeester, kamerlid, rechter, docent of arts? Laten we mensen beoordelen op hun individuele verdiensten en hen niet als groep bij voorbaat veroordelen.
In het begin schreef dat ik moest denken aan de column van Jantine J. de Boer. Ik betrap me er op dat ik dat vaker doe dan ik in het verleden gewend was. Een voorbeeld om te volgen?
2 opmerkingen:
Naar mijn mening maakt iedereen zich wel 'schuldig' aan vooroordelen: zo wekt het bepaalde verwachtingen van mensen. Iemand die onder de tattoos zit (en als jijzelf daar geen fan van bent)zal je in eerste instantie anders benaderen dan iemand met een plooirok en parelketting. Zaak is wel om in tweede instantie te achterhalen of je vooroordeel juist is.
Roerend met je eens... Ondanks de beste bedoelingen blijven "vooroordelen" bestaan, misschien worden ze ooit eens veranderd in 'voordelen'.
Een reactie posten